Bijna moe
GKJ (Geweldige Kleinzoon Jelte) speelt in de zandbak. Ineens gaat hij de zandbak uit om op de rand te gaan zitten. “Wat is er lieverd,” vraagt zijn moeder hem, “ben je moe”? Hij kijkt haar aan en zegt: “nee, bijna moe”.
Geweldig antwoord: “bijna moe”. Voordat je echt moe wordt, moet je rusten. Ik moet daaraan denken als we door Amsterdam lopen. We logeren in het fraaie appartement van een bevriend (en geliefd) kamerlid, dat voor haar werk in het buitenland is. Ze woont aan de rand van het centrum. Dus we doen alles te voet. Dat is vaak een hele tippel. En van stadswandelingen kan je meer dan ‘bijna moe’ worden. Zo nu en dan pakken we onderweg een terrasje. “Bijna moe”, grinniken we dan.
Maar de lange wandelingen zijn de moeite waard. Met zeven musea in twee dagen haal je je Museumkaart er ruimschoots uit. Op dinsdag doen we het wat kriskras: de fraaie Oude Kerk, het grootse Paleis op de Dam en de fascinerende schuilkerk achter de Wallen. In een groot grachtenpand zit op de bovenverdieping een complete katholieke kerk verscholen (“Ons Lieve Heer op Solder”).
De volgende dag wandelen we kilometers door het Joodse Kwartier. In de aanloop naar 4 mei raken we in een (droeve) stemming. Het begint nog vrij neutraal met het interessante Joodse Museum. Dat is gehuisvest in vier bewaard gebleven synagogen.
Aan de overkant van het museum gaan we naar de fameuze Portugese Synagoge. Dat was in de zeventiende eeuw de grootste synagoge van Europa. Nog steeds is het een indrukwekkend gebouw. In de nabijgelegen schatkamer zien we de ontroerende beelden van de eerste dienst na de Tweede Wereldoorlog. Mensen die lang ondergedoken zaten, vliegen elkaar in de armen. Het wachten was nog op de Joden die nog in de kampen verbleven. Later blijkt dat van de circa 80.000 Amsterdamse Joden driekwart de kampen niet heeft overleefd…
Van de synagoge is het maar even lopen naar het Holocaustmuseum. Dat is nog relatief nieuw, evenals het Namenmonument. Het duurde jaren voordat in Nederland enigszins een cultuur ontstond waarin het herdenken van de holocaust een waardige plaats kreeg.
Onze wandeling eindigt in de Hollandsche Schouwburg. Dit was in de oorlog een beruchte plaats van waaruit tienduizenden Joden zijn gedeporteerd naar Westerbork. De schouwburg heeft na de gruwelijkheden nooit meer als theater dienst gedaan. Nu staan alleen de buitenmuren van het toneel er nog, een indrukwekkend beeld.
Diezelfde avond lees ik “Aan het einde van de oorlog” uit van Bert Natter. In 600 adembenemende bladzijden beschrijft Natter de laatste 24 uur in een concentratiekamp, waarin de barbaarse kampführer van zijn misplaatste voetstuk valt. Te gruwelijk voor woorden, als het allemaal niet waar gebeurd zou zijn…

