Een dikke zoen

Als Corona-patiënten er prijs op stellen, bel ik op om te vragen hoe het met ze gaat. Dat gaat natuurlijk niet als ze zwaar ziek zijn, maar bij mensen die thuis zijn.
Daarbij gaat er ook wel eens iets mis. Zo kreeg ik het telefoonnummer van een vrouw, die niet ziek bleek te zijn. Zij kende wel iemand met dezelfde achternaam in de straat. En ja, die had Corona, erg. “Maar met wie spreek ik eigenlijk”.

Ik stel me voor. Net als ik mijn excuses wil aanbieden voor het oponthoud, zegt ze: “nee maar, de burgemeester, dat vind ik nou leuk”. Ze is 91 en naar eigen zeggen: “als mijn benen nog waren als mijn mondje, dan kon ik nog geweldig dansen”. Mooie uitdrukking.

Even moet ik denken aan de film ‘Love Actually’. De premier is stapel verliefd op een meisje, waarvan hij wel haar straat kent, maar niet het nummer. Hij belt bij elke voordeur aan. Als hij wordt herkend, zegt hij; “ja, ik ben benieuwd hoe het mijn onderdanen gaat”.

Maar de oude vrouw vindt het helemaal niet erg. Integendeel. Ik hoor haar denken: eindelijk een praatje. Want nee burgemeester, het valt niet mee. Hele dagen thuis. De buurvrouw doet de boodschappen. “Nee, het is eigenlijk niet de buurvrouw, er woont een man naast mij, geeft verder niet, leuke man hoor, maar daarnaast woont een vrouw, en die doet de boodschappen”. Ze ziet de kinderen niet, die mogen niet komen. Maar ze bellen wel vaak. “Ik mis ze erg”. Het is even aan beide kanten stil.
“Maar u bent verder gezond,” doorbreek ik de stilte. “Jazeker, dat is het niet. Maar het is wel alleen zo. Ik ben al langer alleen, maar dit is toch anders. En ja, ik krijg dan wel eten, maar echt smaken doet het niet”.
“Maar u moet wel blijven eten, hoor”. Ze begint te lachen. “Als de burgemeester het zegt, dan moet het wel”.
Ze komt steeds meer op de praatstoel. Even denk ik aan mijn lieve moeder. Als die begon te vertellen, kwam je er ook niet meer tussen. “En weet u burgemeester, ik mis de soos ook zo. Daar ging ik altijd drie keer per week heen. Zo fijn, en gezellig. En nu is er niks meer”. Ook vlot pratende burgemeesters zijn wel eens om een woordje verlegen. “En ja, dan zijn de dagen wel lang”.

Ik zeg dat er echt wel weer een tijd komt, dat ze naar de soos kan. Ze herpakt zich. “Ja zeker, en op 15 december, word ik 92,” zegt ze als een meisje dat voor haar tiende verjaardag staat.
En ik noteer stiekem in mijn agenda haar verjaardag. Ik verheug me nu al op een bomvolle woonkamer met koffie, gebak en slingers. En ik zal mijn oude nieuwe vriendin feliciteren alsof ze 100 is geworden. Niet met een hand als dat weer mag, maar met een dikke zoen op de wang, als dat weer mag. En het bloemetje stuur ik nu alvast toe.