Column Sociaal Bestek: Kans

Een paar keer per jaar schrijf ik voor Sociaal Bestek, een tijdschrift voor mensen die werken op het terrein van inkomen, werk, en zorg. In het aankomende nummer gaat mijn column over kansen voor kinderen.

Kans

Midden jaren tachtig sta ik alleen op een avond op station Delfzijl-West. Het is koud, miezerig en ik ben een beetje moe. In de verte kan ik de trein op station Delfzijl zien staan. Het perron is verlaten, op wat opwaaiende kranten na. Een leeg blikje bier laat zich wiegen door de harde wind. Ik ruik een lucht die ik niet thuis kan brengen. In deze hoek ben je onbewust altijd alert op rare luchten van de alom aanwezige chemische industrie. Maar het kan ook een verdwaalde hond zijn geweest, die met een schuin oog op de aanstormende trein een poot omhoog tilde tegen de verroeste staanders van de wachtruimte, waarin geen ruit heel is.

Een jaar eerder was ik cum laude afgestudeerd aan de Universiteit. Nederlands met bijvak onderwijskunde. Al snel vond ik werk bij het Onderwijsvoorrangsgebied Eemsmond. Het werd een koude onderdompeling. Scholen waar directeuren om half 4 voor de kinderen de deur uitgaan. Huizen waar grote aquaria staan en meerdere honden rondlopen, maar waar geen boek is te vinden. En bibliotheken die heel veel moeite hebben om bepaalde bevolkingsgroepen te bereiken.

Met een bevlogen team gaan we er hard tegenaan. “Op school leer je lezen en nog een paar dingetjes,” schreef Theo Thijssen. We ontwikkelen nieuwe lesmethoden voor lezen, sleuren met allerhande activiteiten voor boekpromotie en introduceren ‘Taalkabaal’, een innovatieve lesmethode. Naast allerlei welzijnsactiviteiten wordt de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulpverlening versterkt, in die tijd nog vrij nieuw. We betrekken artsen erbij. We spreken met het voortgezet onderwijs over een meer soepele overgang van Bao naar Vo. En ga zo maar door. 

Ik mag me bezig houden met het Spel- en Boekenplan. Hoe krijg je in prikkelarme gezinnen volwaardig spel- en leesmateriaal. We zoeken moeders op aan de rand van het speelplein (vaders werkten in de industrie). Samen met een leerkracht praten we op koffie-ochtenden verder over de kinderen, opvoeding en taal. Het is permanent zoeken naar een balans tussen het opgeheven vingertje en volwaardige ondersteuning. Vervolgens gaan we met behulp van vrijwilligers letterlijk de huizen in. We demonstreren de spelletjes met instructie. En we laten zien wat voorlezen van mooie boeken doet met kinderen. 

Al werkende weg ontdekken we dat veel ouders zelf ook moeite hebben met taal. Ook toen al was ‘analfabetisme’ (laaggeletterdheid) een veel voorkomend probleem. We proberen ouders naar alfabetiseringslessen te krijgen. En in de avonduren praten we op ouderavonden onze blaren op de tong over het belang van voorlezen en spelletjes doen met kinderen. Zo beland je vanzelf op een koude avond op een tochtig station Delfzijl-west. 

Deze vroege ervaringen tekenden mijn loopbaan. Daar lag mijn passie. Deze kinderen in deze uithoek van het land verdienden betere onderwijskansen. Ploeteren, sleuren, teleurgesteld worden, met de kop schudden en weer doorgaan. Ik bleef werken aan de randen van Noordoost-Nederland.
Dertig jaar later ben ik niet voor niets werkzaam in Zuidoost-Drenthe, het Eemsmond van Drenthe. Emmer-Compascuum, Nieuw-Dordrecht, Klazienaveen. Dertig jaar verder, een paar illusies rijker, maar nog steeds tot op het bot gemotiveerd. Want kinderen verdienen die kans.