De klas van 1979

Veel bezoekjes aan Zwolle combineerde ik met een bezoek aan mijn ouders. Dat was ik zo gewend toen ze er woonden. En nu ze er op het kerkhof liggen, blijft die gewoonte erin zitten. Op de een of andere manier geeft zo’n rondgang op het kerkhof me rust; bij het graf sta ik vaak wat te mijmeren. Ondertussen haal ik wat takjes en onkruid weg; pa had een gloeiende hekel aan een rommelige tuin. Nu mijmer ik over de rest van de dag: een reünie van de klas van 1979. Dat hadden ze ook wel leuk gevonden. Ze zouden vast gezegd hebben, doe je de groeten aan die en die, dat waren zulke leuke jongens. En erna zouden ze honderduit hebben gevraagd hoe het nou met dat meisje was.
 
Nu ga ik van het kerkhof direct naar de oude middelbare school in Zwolle. Vlakbij de school ontmoet ik de eerste oud-schoolgenoot. Ik herken hem niet, totdat hij zijn mond opendoet. Wat werkt het geheugen toch bijzonder. We hebben elkaar 40 jaar niet gezien, maar na 1 zin rolt er weer een heel aantal beelden binnen. Alsof je de foto’s binnenhaalt op een traag werkende computer. Binnen zie ik heel wat meer oud-klasgenoten. Sommigen herken ik meteen; bij anderen doe ik net als bij sommige ontmoetingen in Emmen: “help me even, wie ben je ook alweer?”. En ook ik ben niet altijd herkenbaar: het wat ruwe kapsel is in de loop der tijd aardig gekortwiekt. Het zijn de Atheneum/Gymnasium-klassen van het Thomas a Kempiscollege. Katholiek, omdat ouders katholiek waren. Met heel veel klasgenoten die op de ook katholieke voetbalclub sv Zwolle zaten. Ineens schiet het clublied mij te binnen: “witte broek en gele trui, dat zijn de Zwolle-lui”. Tja. 

Na het welkomstwoord ga ik naar mijn oude gymnasiumklas. In vijf minuten vertellen we hoe het ons is vergaan. Alles komt voorbij: mooie loopbanen, huwelijken en lieve kinderen. Maar ook het verlies van partners, echtscheidingen, ontslagen, ziektes, zoektochten naar de zin van het bestaan. Ik durf amper mijn succesvol levensverhaal in de categorie ‘voor de wind’ te vertellen. Een prachtig gezin, drie succesvolle lieve dochters, de wereld aan interesses, en een flitsende loopbaan met de leukste baan van de wereld als bekroning. “Dat jij nog eens burgemeester zou worden…”, is een veelgehoorde reactie. 

Na de klassenfoto gaan we met zijn allen naar Hotel Wientjes. Daar mocht ik vroeger nog niet naar wijzen. Dat was het hotel voor deftige mensen. Zwolse moeder vond het indertijd fantastisch toen ik juist daar een van mijn eerste cursussen mocht geven. Er wordt zeventiger jaren-muziek gedraaid, die ik anders alleen nog bij de Top2000 hoor. Ondertussen komen de sterke jeugdverhalen los. Zoals die keer dat we een feest hadden bij Frans, nu de organisator. Hij woonde in Ommen en we misten treuzelend na afloop met opzet de laatste trein. Daar stonden we. Dat was plan A, maar waar was plan B? Nadenken over gevolgen deden we pas later. Want “jongens waren we, maar aardige jongens”.